Sprakelooze en zijne honden, of de n*slaven

In 1863 ging in de Amsterdamse Salon des Variétés het stuk De Sprakelooze en zijne honden, of de N*slaven in première; volgens de advertentie een ‘groot volksstuk’ met zang en dans, dat zich afspeelt op een Amerikaanse plantage. Het gaat over de emancipatie van slaafgemaakten – inzet van de Amerikaanse Burgeroorlog die op dat moment woedde en die anderhalf jaar later het einde zou betekenen voor de slavernij in de Verenigde Staten.

De kranten bieden geen beschrijving van de inhoud van
De Sprakelooze en zijne honden, maar uit de titels van de ‘taferelen’ zou je een slavenopstand kunnen vermoeden: ‘De verkochte dochter’, ‘De brand op de plantage’, De vergelding’. Mevrouw Kamphuijsen speelde ‘mulattin Sarah’, de heren Judels en Brandon speelden de zwarte karakters Brutus en Cesar. De twee acteurs kregen bijval met de grappige wijze waarop zij hun rol invullen.[1] Door de titel van het eerste tafereel, ‘Het feest onder de N*’, en het noemen in een recensie van ‘n*dans’, kun je vermoeden dat de voorstelling stilistische overeenkomsten had met de minstrel shows en Oom Tom. De Salon nam de voorstelling ook mee op tournee, in ieder geval naar Hoorn, Haarlem, Harlingen, Leiden, Dordrecht en Middelburg.

Het stuk werd eerder dat jaar al in het Duits opgevoerd in het Grand Theâtre van Van Lier, verderop in de Amstelstraat, als
Der Stumme und sein Hund, oder Der Sohn der Mulattin. De gedachte dat dit inhoudelijk boeiend, actueel theater over de slavernij bood, wordt gerelativeerd door de recensent van het Algemeen Handelsblad: ‘Het stuk zelf beteekent niets; het is geschreven met het doel, dat een sprakelooze, een acrobaat en twee honden erin zouden kunnen medewerken.’[2] In het laatste tafereel, ‘De Werkzaamheden der Honden’, werden – net als in Oom Tom – echte gedresseerde honden ingezet om vermoedelijk een vluchtende slaafgemaakte op te speuren. De Duitstalige en de Nederlandstalige voorstellingen waren vooral een vehikel voor de Oostenrijkse acrobaat en hondendresseur Eduard Meergarté, die de rol van de stomme Louis vervult. Zijn vrouw vertolkte de hoofdrol – vermoedelijk de mulattin Sarah uit de titel. Ze blonk volgens een andere criticus uit dankzij haar ‘gunstige uiterlijk’ en haar ‘krachtig, sonoor orgaan’. Maar hun ‘krulhonden’ Castor en Pollux waren de grote sterren van de show.[4] Het echtpaar en hun honden traden wel vaker op in beide theaters, in komedies met als speciale attractie een ‘Reuzen-Luchtsprong’ vanaf de galerij.

In de Weense uitvoering, zo blijkt uit een advertentie in de
Wiener Zeitung, maakte het stuk onderdeel uit van een drieluik: Die Kinder des Pflanzers, oder: Die Weisse Sklaven (De kinderen van de plantagehouder, of: De witte slaven). Vermoedelijk ging het over de kinderen die de eigenaar heeft bij een slaafgemaakte vrouw, de ‘mulattin’ Elisa. Misschien was hun huidskleur licht (‘witte slaven’) en werd hun toestand van slavernij daarom beschouwd als ethisch onjuist.

 

[1] Algemeen Handelsblad, 14 december 1863.
[2]
Algemeen Handelsblad, 9 februari 1863.
[3] Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 9 februari 1863.